Denken vanuit gezinnen

Na decennia als beleidsmaker bij gemeenten, besloot Marlies Kennis in 2021 haar Utrechtse ervaringen met de transformatie van de jeugdzorg te benutten in Nijmegen. Als directeur-bestuurder van de Buurtteams Jeugd en Gezin van Oidos brengt ze daar nu al vijf jaar haar visie in praktijk.

‘In 2020 oriënteerde de gemeente Nijmegen zich in Utrecht omdat ze wijkteams voor jeugd en gezin wilde opzetten. Op dat moment was ik vanuit de gemeente Utrecht gedetacheerd bij Lokalis, de organisatie van de wijkteams voor jeugd en gezin in die stad. Nog voor de transitie van de jeugdzorg naar de gemeente had ik al meegewerkt aan twee pilots ter voorbereiding van die wijkteams. Toen Nijmegen Lokalis vroeg om mee te doen aan de aanbesteding, leek het mij interessant om aan de uitvoering van het nieuwe beleid te gaan werken. Na al die jaren als gemeentelijk beleidsmedewerker op het gebied van onderwijs en jeugd wilde ik graag iets nieuws leren, zoals een organisatie opbouwen in een nieuwe omgeving en teams leiden.’

Basishulp

Bij de start van de Buurtteams Jeugd en Gezin in Nijmegen lag er voor de nieuwe stichting Oidos een aantal flinke uitdagingen: ‘De gemeente merkte dat de wachtlijsten en de kosten voor zorg groeiden en wilde die graag aanpakken. Daarnaast vond de gemeente het belangrijk dat gezinnen met vragen snel hulp zouden krijgen. Daarom kregen wij de opdracht om met de nieuwe teams zelf meer begeleiding te bieden en dat ook tijdig te doen. Dat was fijner voor gezinnen en ook efficiënter, dacht de gemeente. Bij de vorming van de teams waren we verplicht om een aantal professionals uit de oude teams over te nemen. Sommigen van hen hadden taken rond scholen en kinderopvang gehad, bijvoorbeeld als schoolmaatschappelijk werker. Ze waren er niet allemaal blij mee dat ze zelf als generalist basishulp moesten gaan uitvoeren, in plaats van de taken op onderdelen die ze tot dan toe hadden gehad. Voor de basishulp moesten ze een nieuw vak leren.’

Dat nieuwe vak hield in dat ze gezinnen niet meer meteen gingen doorverwijzen naar een aanbieder die een contract met de gemeente had. Voortaan namen ze eerst de tijd om samen met gezinnen te bekijken wat er precies aan de hand was en wat ze daar samen aan zouden kunnen doen. Marlies legt uit wat daarvan de voordelen zijn: ‘Door niet meer automatisch te verwijzen besparen we gezinnen de pijnlijke ervaring om steeds aan nieuwe mensen te moeten vertellen wat er niet goed gaat. Bovendien gaan professionals beter zien wat er in een gezin speelt en kunnen ze beter helpen. De meeste gezinnen hebben baat bij meer rust en structuur en bij acceptatie van de situatie. Soms is dan een specialist nodig, maar uiteindelijk vindt de verandering thuis plaats en kunnen wij daar bij helpen.’

Leidende principes van de buurtteams van Oidos:
  • We staan naast het gezin en we zijn dichtbij.
  • We denken in mogelijkheden, niet in moeilijkheden.
  • We doen wat nodig is. Niet meer en niet minder.
  • Het gezin staat altijd centraal.

Niet vanzelfsprekend

Vergeleken met de start van de buurtteams in Utrecht lagen er in Nijmegen een paar extra hobbels: ‘In Utrecht hadden we ruim de tijd genomen om de opzet en werkwijze van de wijkteams te ontwikkelen. Bovendien deden we dat samen met gemotiveerde professionals, ook van de betrokken aanbieders van aanvullende hulp. Wat daarbij hielp was dat aanvullende hulp was meegenomen in de visie en op basis van lumpsump-financiering makkelijker kon aansluiten bij de basishulp. In Utrecht was het vanaf de start gemeengoed dat de begeleiding een taak was van de wijkteams. Je kan zeggen dat de situatie in Nijmegen ingewikkelder is, ook doordat daar zo’n tweehonderd aanbieders zijn, waarvan een aantal ook begeleiding in hun pakket heeft. Aan de andere kant konden we in Nijmegen ook putten uit de ervaringen en lessen van Lokalis.’

Door de prominente aanwezigheid van zoveel gespecialiseerde zorgaanbieders op de Nijmeegse “markt” kostte het tijd en moeite om de leidende principes (zie kader) van de buurtteams van Oidos voor iedereen vanzelfsprekend te maken. Dat maakte Marlies wel eens ongeduldig: ‘Uit onderzoek naar de effectiviteit van zorg is allang duidelijk dat aandacht voor de context en de klik met de professional veel bepalender zijn voor het resultaat dan de methodiek of techniek die professionals hanteren. Daarom zouden professionals ook de mogelijkheid moeten krijgen om daarnaar te kunnen handelen.’

‘Door niet meer automatisch te verwijzen besparen we gezinnen de pijnlijke ervaring om steeds aan nieuwe mensen te moeten vertellen wat er niet goed gaat.'

De knop omgezet

LOm het nieuwe vak van gezinswerker te ontwikkelen keek Oidos naar wat er in gezinnen speelde op het gebied van opvoeding, onderwijs, welzijn en veiligheid, en baseerde daar zogeheten ontwikkelopgaven voor de organisatie op. Vervolgens zijn daar mensen uit alle buurtteams mee aan de slag gegaan.

Ook werd hun nieuwe werkwijze in de loop van de tijd letterlijk in kaart gebracht, gedetailleerd beschreven en intensief getraind. ‘De grootste uitdaging was het loslaten van de neiging om in beleidskokers te denken en in plaats daarvan vanuit gezinnen te gaan denken. Inmiddels is dat steeds meer gemeengoed geworden. ’

Al vrij snel werd duidelijk wat Oidos van de gemeente nodig had om de omslag naar basishulp te maken. ‘Om zelf begeleiding te kunnen geven hadden de buurtteams extra formatie nodig en moest er tegelijkertijd een rem gezet worden op de budgetten voor de aanbieders van ambulante begeleiding. De gemeente heeft daarom voor 2023 en 2024 budgetplafonds ingesteld.

Daarmee is de knop omgezet. We zien inmiddels het aantal verwijzingen en de kosten van begeleiding teruglopen. De kosten voor aanvullende hulp zijn niet gestegen, maar het verminderen ervan vraagt echt nog een gecombineerde aanpak vanuit gemeente, aanbieders en ons.’

‘De grootste uitdaging was het loslaten van de neiging om in beleidskokers te denken en in plaats daarvan vanuit gezinnen te gaan denken.'

Minder verwijzingen

Als bestuurder van Oidos benut Marlies data om de gesprekken met de gemeente en samenwerkingspartners beter te onderbouwen. ‘We gebruiken data van de gemeente om te weten wat er in de wijken speelt en wat van invloed is op de beleving van gezinnen. Zelf houden we onder andere bij hoe snel we de hulp starten en hoe groot de caseload is. Dat helpt teams ook om beter zicht te krijgen op het eigen functioneren. Ook leggen we vast om welke redenen we verwijzen naar aanvullende hulp.’

Uit de data blijkt onder andere dat het aantal verwijzingen naar aanvullende hulp duidelijk is afgenomen. ‘Dat komt ook doordat de scholen weten wat wij doen en doordat met de huisartsen een convenant is afgesloten waarin staat dat zij in principe voor begeleiding naar de buurtteams verwijzen. En natuurlijk speelt mee dat veel gezinnen tevreden zijn over de begeleiding die ze van de buurtteams krijgen.’ Een belangrijke reden om minder te verwijzen is dat de begeleiding daardoor beter kan aansluiten bij wat kinderen en gezinnen in de wijk nodig hebben, legt Marlies uit. ‘Graag zouden we op professioneel niveau in de wijk meer met elkaar samenwerken en flexibel in willen spelen op wat nodig is. ‘Stapje voor stapje werken we daaraan, samen met voorzieningen en verenigingen in de buurt. Daardoor merken we bijvoorbeeld dat een kind dat zichzelf beschadigt soms beter geholpen is met zangles dan met gespecialiseerde hulp.’

Vooral bij complexe problematiek blijkt het echter nog steeds ingewikkeld om met aanbieders te overleggen. ‘Dat komt doordat je juist dan als gezin en als buurtteam te maken hebt met verschillende adviesorganen, loketten, aanpakken, regels en producten. Aanbieders zitten vast aan standaard producten en moeten de omzet van hun eigen organisatie bewaken. Dat maakt het voor hen soms ingewikkeld om flexibel in te spelen op vragen uit de wijk en op omstandigheden in de wijk. Het zou fijn zijn als we dan mensen met specialisme gewoon in de wijk beschikbaar zouden hebben en samen kunnen kijken naar wat er nodig is en ook welke mogelijkheden we in de context van het gezin kunnen aanspreken. Als je op die manier samenwerkt, leer je elkaar beter kennen en heb je waarschijnlijk ook minder aanmeldformulieren en intake-overleggen nodig.’

‘Ik begin altijd bij de verbinding met het kind en het gezin. Vandaaruit ben ik sturend en vasthoudend als het gaat om het handhaven van onze leidende principes.'

Signalen uit de praktijk

Na vijf jaar Oidos heeft Marlies een duidelijk beeld van haar rol als bestuurder. ‘Ik begin altijd bij de verbinding met het kind en het gezin. Vandaaruit ben ik sturend en vasthoudend als het gaat om het handhaven van onze leidende principes. Intern werk ik vooral aan bewustwording van de manier waarop wij een positieve bijdrage kunnen leveren aan het opgroeien van kinderen en jongeren. Dat betekent dat we niet alleen kijken naar problemen, maar ook naar mogelijkheden en dat we aandacht hebben voor de klik met het gezin, de basishouding van de gezinswerker, samenwerking in de wijk en het zinvol gebruiken van data. Extern probeer ik de randvoorwaarden voor ons werk te verbeteren, bijvoorbeeld als ik van de buurtteams signalen krijg dat zij met regels die de gemeente oplegt in de praktijk niet uit de voeten kunnen. Gezinswerkers moeten weten waarom een regel er is en dat aan gezinnen kunnen uitleggen, maar het de gemeente ook kunnen laten weten als zo’n regel niet werkt. Dat speelt bijvoorbeeld rond de inkoop van hulp voor jongeren met complexe problemen of rond het regelen van vervoer naar de opvang. We zijn alert, we kaarten het aan en kijken dan met elkaar hoe we dat kunnen verbeteren. Zo hebben we al mooie stapjes gezet.’

Ze beschouwt het ook als haar taak om het de gemeente te laten weten als die teveel vanuit de verschillende beleidskokers redeneert. ‘Dat schuurt wel eens omdat het als persoonlijke kritiek wordt opgevat als ik signalen uit de praktijk probeer over te brengen. Maar het gaat mij om de inhoud en ik vind het nodig om dat kritische geluid te laten horen zolang ik merk dat er te weinig wordt nagedacht over de gevolgen van beleidsregels voor de praktijk. Als je bijvoorbeeld ziet op hoeveel plekken advies gevraagd kan, moet of mag worden, dan moet ik vanuit gezinswerkers bekijken of dat ook echt helpt. Vaak krijgen gezinswerkers dan bindende adviezen op een smaldeel die niet altijd uitvoerbaar zijn omdat aanbieders ontbreken of omdat er wachtlijsten zijn.’

'Het is zo belangrijk dat de gemeente en onze samenwerkingspartners meegaan in de transformatie, dat we samen afstemmen welke hulp nodig is en dat iedereen verantwoordelijkheid wil nemen voor de schaarse middelen. Daar gaat transformeren over.’

Samen nieuwe dingen bedenken

Als bestuurder van Oidos krijgt Marlies voortdurend te maken met nieuwe ontwikkelingen die flexibiliteit van de organisatie vragen. ‘Het is belangrijk dat de buurtteams beseffen dat onze ontwikkelopgaven niet vastliggen, maar steeds veranderen omdat de wijken en de gezinnen veranderen.’ Daarbij heeft Oidos de steun van de gemeente nodig om de relatie met aanbieders van aanvullende hulp te verbeteren en om oude patronen te bestrijden die de transformatie belemmeren. ‘In de praktijk blijkt dat professionals elkaar juist graag leren kennen om elkaar zo nodig snel te kunnen vinden en samen nieuwe dingen te bedenken. Daarom is het zo belangrijk dat de gemeente en onze samenwerkingspartners meegaan in de transformatie, dat we samen afstemmen welke hulp nodig is en dat iedereen verantwoordelijkheid wil nemen voor de schaarse middelen. Daar gaat transformeren over.’