Het grijze gebied tussen normaal en problematisch gedrag bij kinderen

Steeds meer kinderen krijgen een DSM-classificatie, en de discussie daarover groeit. Marielle Balledux, senior inhoudsdeskundige Opgroeien en opvoeden, legt uit waarom het NJi anders is gaan kijken naar classificaties, en wat het daarmee beoogt.

Wat speelt er in de samenleving rond classificaties van kinderen? ‘We zien dat steeds meer kinderen een classificatie krijgen. Op sociale media geven jongeren zichzelf diagnoses, en cijfers laten een toename van mentale problemen zien. Tegelijkertijd gebruiken we het DSM-classificatiesysteem steeds vaker als handboek om gedrag te verklaren: als iemand bepaald gedrag vertoont, dan “heeft” die persoon een stoornis. Terwijl DSM-classificaties een beschrijving geven van gedrag, geen verklaring. Dit alles roept de vraag op: labelen we gedrag als probleem terwijl dat misschien niet nodig is?’

En wat is volgens het NJi het antwoord op die vraag? ‘Er bestaat een grijs gebied tussen de alledaagse ontwikkeling van kinderen en echte problemen. Dat beslaat alles tussen “het gaat goed” en “het gaat helemaal niet goed”. Alle kinderen ontwikkelen zich, en soms gaat iets niet zoals verwacht. Dat kan uiteindelijk leiden tot een probleem, maar een gedragsprobleem betekent niet automatisch dat er iets mis is in bijvoorbeeld het brein van het kind. Vaak speelt de omgeving een grote rol. En soms past de omgeving niet goed bij wat het kind nodig heeft.’

‘‘We willen meer bewustwording creëren: hoe richten we de omgeving zo in dat kinderen meer ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, in hun eigen tempo en op hun eigen manier? Met minder focus op wat er niet goed gaat en meer op wat wel kan.’’
Marielle Balledux
Senior inhoudsdeskundige Opgroeien en opvoeden

Marielle Balledux en Neeltje van den Bedem,

senior inhoudsdeskundigen Opgroeien en opvoeden

Kun je een voorbeeld geven van die versmalde norm? ‘We zien bijvoorbeeld dat de jongste kinderen in een klas relatief vaak een ADHD-classificatie krijgen. Terwijl hun gedrag past bij hun leeftijd en positie in de groep. Een kind dat net 4 jaar is, kan het moeilijk vinden om lang stil te zitten. In een klas met vooral oudere kinderen lijkt zo’n kind al snel “druk”. Bovendien kan dit gedrag verergeren door de reactie van de leerkracht. In plaats van te concluderen dat het kind een probleem heeft, kun je kijken naar wat het kind nodig heeft, je verwachtingen bijstellen of ondersteuning bieden. Daarvoor is geen ADHD-label nodig.’

Pleit het NJi voor het afschaffen van classificaties? ‘Nee. Classificaties kunnen helpen om gedrag of gevoelens te begrijpen en kunnen opluchting en begrip bieden aan jongeren en ouders. Het gaat erom kritisch te kijken waar labels nuttig zijn en waar niet. Een label kan ook een self-fulfilling prophecy worden: iemand kan denken “Ik heb ADHD, dus ik kan niet plannen”. Zulke gedachten kunnen het gedrag beïnvloeden. We zoeken daarom een balans tussen erkenning van klachten en voorkomen dat een classificatie beperkend werkt.’

Wat is de DSM?

De Diagnostic Statistical Manual (DSM) is bedoeld als instrument om psychische problemen te categoriseren. Dit categoriseren heet ook wel classificeren. De classificaties uit de DSM bieden een gedeelde taal om psychische problemen te beschrijven en te onderzoeken. Net zoals dat gebeurt bij lichamelijke ziektes. Dit kan helpen om te begrijpen wat er speelt en om passende hulp te bieden.

Maar dit oorspronkelijke doel van de DSM is uit beeld geraakt. Kinderen krijgen steeds vaker een DSM-classificatie, wat ook negatieve effecten kan hebben.

Wat is de rol van het NJi in de maatschappelijke discussie rond classificaties? ‘Wij stimuleren de maatschappelijke beweging die pleit voor minder labelen en meer kijken naar de omgeving. We leveren onafhankelijke kennis, gebaseerd op onderzoek, praktijkervaring en ervaringskennis van jongeren en ouders. Daarmee willen we het maatschappelijk debat voeden. We gooien bestaande kennis niet overboord, want de kenmerken van een depressie of ADHD blijven hetzelfde. Maar onze boodschap is voortaan: iemand hééft geen ADHD, maar vertoont kenmerken van ADHD. En die kenmerken staan in relatie tot de omgeving en de ontwikkelfase.’

Hoe past die boodschap binnen de bredere visie van het NJi? ‘De ontwikkelingsgerichte en contextuele kijk op problemen draagt bij aan het gezond en kansrijk opgroeien van kinderen, normaliseren en effectief beleid. We focussen minder op het individu en meer op de omgeving. Als we alleen blijven labelen en behandelen, missen we vaak simpele aanpassingen in de omgeving die veel verschil kunnen maken. Je kunt in de klas koptelefoons geven aan prikkelgevoelige kinderen, maar ook aan álle kinderen, zodat niemand zich een uitzondering voelt. Of je geeft niet alleen leerlingen met een dyslexieverklaring meer tijd voor toetsen, maar alle kinderen die dat nodig hebben. De vraag zou minder moeten zijn “wat is er mis met dit kind?” en meer “wat hebben alle kinderen nodig?” Vaak is dat: meer rust en ruimte en minder druk.’

Wat hopen jullie met dit nieuwe perspectief te bereiken? ‘We willen meer bewustwording creëren: hoe richten we de omgeving zo in dat kinderen meer ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, in hun eigen tempo en op hun eigen manier? Met minder focus op wat er niet goed gaat en meer op wat wel kan. Ook willen we de norm van wat “normaal” is oprekken, zodat er meer ruimte is voor verschillen. Er zullen altijd kinderen zijn die ondersteuning nodig hebben, maar met bredere marges kan het beroep op specialistische hulp verminderen. Uiteindelijk willen we dat iedereen een plek vindt in de samenleving en dat we systematisch nadenken over wat kinderen nodig hebben, in plaats van alleen te kijken naar labels. Dat is niet eenvoudig, maar het gaat uiteindelijk veel rust en ruimte brengen voor kinderen, ouders en professionals.’

Bekijk ons kennisdossier ‘Contextgericht kijken naast de DSM’ voor meer informatie over dit onderwerp.

Terug naar het overzicht